NIET ALLEEN DE VOGELS
Twee weken voordat de bouw van de Berlijnse muur, vijftig jaar geleden, werd herdacht, liep ik voor het eerst van mijn leven onder het Brandenburger Tor door. Hoewel ik Berlijn vaker had bezocht, was dit de derde keer dat ik deze poort zag. De eerste keer was vanuit Oost-Berlijn. Voor de poort stonden soldaten van de Volksarmee, het leger van de voormalige DDR, en als je onder de poort door keek, zag je de muur, de grens tussen Oost- en West-Duitsland. De tweede keer zag ik de poort vanuit het westen. Dat ging niet zomaar, want de muur die je vanuit het oosten onder de poort door zag, verhinderde het zicht dusdanig dat je eerst een verhoging op moest om over de muur heen te kijken. Nu kon je, na meerdere uren omrijden, met inbegrip van het lange wachten aan de grens, zien waar je twee honderd meter verder in het oosten had gestaan. De derde keer dat ik de muur zag, was daags na de val van de muur. Er onderdoor lopen kon nog niet, maar wel erlangs. De opening die men in de muur had gemaakt was weliswaar afgeschermd met een houten schutting waarvoor een paar soldaten stonden, maar die lieten iedereen ongehinderd van west naar oost en terug lopen. Met een gemengd gevoel passeerde ik de grens. Wat als de val weer dicht zou klappen en wat als de muur voor altijd open zou blijven?
Vijftig jaar na dat de muur gebouwd is en tweeëntwintig jaar nadat hij is gevallen loop ik eindelijk onder het Brandenburger Tor door en met mij tientallen en voor mij waarschijnlijk al miljoenen anderen. En met een gemengd gevoel loop ik onder deze monumentale poort. Wij weten hoe het is verlopen nu de muur is gevallen, maar wat als de val weer was dicht geklapt? In een onderzoek, gepubliceerd in het Halberstadter Volksstimme, zegt 47 % van de Berlijnse bevolking achteraf begrip te hebben voor de bouw van de muur. Nu zou je kunnen stellen dat dit percentage alleen uit Oost-Berlijners bestaat, maar dat zou betekenen dat de muur nooit had hoeven vallen. Hierdoor kun je alleen maar concluderen dat ook een deel van de West-Berlijners begrip heeft gekregen voor de bouw van de muur.
De muur was de afgelopen dagen het thema van gesprek in de pers en aan de borreltafel en met de muur ook de voormalige DDR. De pers verhaalt van herdenkingsbijeenkomsten en de politieke gevolgen van, door en na de bouw van de muur. Aan de borreltafel overheersen de economische gevolgen en de meer goede dan slechte herinneringen. De werkeloosheid is hoog, “dat was toen wel anders, toen werd er voor gezorgd dat je werk had” en zij die werk hebben moeten zuinig leven. Buiten de steden zorgt iedereen voor iedereen. De een weet waar je goedkoop tomaten van de boer kan krijgen, “die nog naar tomaat smaken, een nog in de DDR ontwikkeld ras”, de ander weet waar je het beste brood kunt krijgen, “dat nog smaakt zoals toen in de DDR, gemaakt van zuurdesem en niet van die fabrieksmengsels”. Als ik mijn eerste oogst pruimen beschikbaar stel, bakt de buurvrouw er pruimentaart van, voor de hele buurt. Tijdens onze gesprekken wordt Oost-Duits bier gedronken en rookt men Russische sigaretten.
Dit en meer speelt door mijn hoofd bij iedere stap die ik op de voormalige grenslijn maak. Na tweeëntwintig jaar is dit deel van Duitsland nog steeds in opbouw, steden en dorpen zijn grotendeels gerenoveerd, maar buiten de stadscentra beginnen de eerste gerenoveerde huizen al weer af te takelen. De panden die nog niet gerenoveerd zijn, verpauperen of staan te koop en/of op instorten, bij gebrek aan geld voor onderhoud. Een historische stad als Quedlinburg dreigt hierdoor haar Werelderfgoed-status kwijt te raken. Mij is gevraagd of ik niet kan bemiddelen in de verkoop van een door de overheid bestuurd kuur-centrum. De miljoenenverliezen die de gemeente jaarlijks moet aanvullen, drukken te zwaar op de gemeentelijke begroting waardoor het werelderfgoed niet onderhouden kan worden.
Soms denk ik dat, wanneer je iedere Oost-Duitser die het zou willen één steen zou geven, er gisteren weer twee muren zouden staan. Zou je dan iedere tegenstander van de muur een sloophamer geven, zal uiteindelijk toch nog één muur overblijven. Met deze overpeinzingen ben ik inmiddels aan de over van de Spree beland, de rivier die door Berlijn loopt en een deel van de grens uitmaakt. Op een billboard staat een foto van de muur op die locatie met daarop de tekst: “Hoe goed dat het voorbij is”, ik maak een foto zoals het er nu uit ziet. In mijn gedachten klinkt het lied ‘Alleen de vogels vliegen van Oost- naar West-Berlijn’ en zie een ouder echtpaar, genietend van het mooie weer, in vrijheid de rivier oversteken.


